Tiny story: ‘Een november in de Morvan’

Wat was dat?! Geritsel? Er is geen mens of dier te bekennen in dit deel van het bos. Dit voelt totaal niet comfortabel. Ik grijp naar mn achternek, een rilling loopt over mijn schouders. Dat gebeurt alleen als er echt iets niet klopt. Mijn zintuigen staan op scherp. ‘Wat doe ik hier alleen’ vraag ik me al een uur lang af. Rustig blijven. Shit, ook nog een losse veter. Waarom nu.

 

Ik probeer te genieten van de gouden herfst, de adembenemende plaatjes van zonnestralen die door de rode bladeren vallen. In het Japans hebben ze daar een speciaal woord voor, komorebi. De heerlijke herfstgeuren stromen mijn neus in en ik weet waar mijn lange wandeling straks eindigt. Met een verrukkelijke lunch bij Cecile van Hotel de la Poste. Het water loopt me in de mond als ik denk aan wat me staat te wachten. Goddelijke toetjes, dat sowieso. Misschien moet ik daarmee beginnen. Je weet maar nooit wanneer er een meteoriet op je harses landt en dan heb ik het lekkerste deel maar wel mooi achter de kiezen.

 

Het is toch anders om hier op een donderdagochtend alleen te wandelen zonder hond. Zonder gids, maar ook zonder redder. Godsamme daar heb je het weer, ik zag toch echt iets wegschieten achter een paar dikke bomen. Mijn pas versnelt zich. Hij weet toch helemaal niet dat ik hier ben? Hoe zou het kunnen? En bovendien, zat het trauma echt zo diep? Geen doemscenario’s bedenken Peet, doe normaal. Je bent veilig hier. Flits! Weer! Zie je wel, nu zag ik hem toch echt! Ik begin te hollen, mijn hart klopt m’n borstkas uit, ik hou het niet meer. Kadunk, kadunk, kadunk. Niet achterom kijken! Vooruit! Vooruit naar Cecile, daar is het veilig. Het is te laat, ik ben blind geweest, ik heb een rondje gerend. Wat stom! Het lijkt wel een real life scène uit the Blair Witch project. Even denk ik dat ik flauwval, blijf erbij Peet. Het is vechten of vluchten nu.

 

Daar zit ie dan, té nonchalant voor woorden. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is om hier te zijn. Alsof het normaal ik om iemand midden in een desolaat Frans bos op te wachten, de stuipen op het lijf te jagen. Dit kan niet, het is een droom, een nachtmerrie. Ik weet niet wat ik moet doen, mijn lijf kan zich niet meer bewegen en dan gebeurt het. “Hé hallo” zegt ie. Dat moet voor mij bedoeld zijn. In de wijde omtrek is er echt niemand te bekennen. Ik piep “eh hoi..” We zwijgen. Ik piep verder “ben je het echt? Paulus? Paulus de Boskabouter?”